Op de bergtop, hoog verheven,
Staat Mozes aan het einde van Zijn leven.
Hij houdt de ogen gericht
Op’t beloofde land, dat voor hem ligt.
“Zo vervult Gij, Heer, wat komen zou
Nooit werd Gij Uw woord ontrouw.
Uw genade redt ons en maakt vrij,
Uw toorn tuchtigt en verstoot mij.
Trouwe Heer, uw knecht is U niet waardig,
ik weet het, Gij zijt altijd rechtvaardig.
Heden zult Gij Uw straf aan mij voltrekken,
mij met de slaap des doods bedekken.
Alleen wie ongeschonden zijn geloof bewaarde,
Proeft de druiven van de beloofde aarde.
Geef mij, twijfelaar, maar de bittere drank.
In het geloof zeg ik U lof en dank.
Gij hebt wonderen aan mij gedaan,
Verbittering in zachtmoedigheid om doen slaan.
Laat mij zien door de sluier van de doodswoestijn,
hoe mijn volk optrekt naar het groots festijn.
Ik zink weg in uw eeuwigheid,God, voorgoed
Maar zie: mijn volk gaat de vrijheid tegemoet.
Gij, die de zonde straft en graag vergeeft,
God, ik heb voor dit volk geleefd.
Dat ik de lasten ervan droeg,
en nu zijn heil aanschouw-dat is genoeg.
Houd mij vast! Mij ontvalt mijn staf.
‘Trouwe God, geef mij een graf.’