Op de bergtop, hoog verheven,
Staat Mozes aan het einde van Zijn leven.
Hij houdt de ogen gericht
Op’t beloofde land, dat voor hem ligt.
“Zo vervult Gij, Heer, wat komen zou
Nooit werd Gij Uw woord ontrouw.
Uw genade redt ons en maakt vrij,
Uw toorn tuchtigt en verstoot mij.